Zetel Afstaan bij Vertrek uit Partij

zetel
foto: risastla

Vraag aan het CDA, D66, de PvdA en de VVD (kamerlid Koopmans, kamerlid Schouw, kamerlid Heijnen en kamerlid Taverne)
In ons kiesstelsel worden voor meerdere organen (waaronder de tweede kamer) gekozen voor vertegenwoordigers van een (politieke) partij. Nu komt het regelmatig voor dat één persoon op de kieslijst, vaak de lijsttrekker, veel meer stemmen krijgt dan hij of zij aan zetels kan vervullen. Vervolgens wordt op basis van het totale aantal stemmen de zetels verdeeld tussen de partijen. Zo gebeurt het dat mensen die weinig of geen stemmen hebben gekregen wel een zetel krijgen. Als deze mensen vervolgens, om welke reden dan ook, breken met hun partij mogen zij wel hun zetel behouden. Dit is naar mijn mening niet democratisch. Ze hadden daar nooit gezeten als ze niet bij de partij hadden gehoord en de kiezer heeft door zijn stem uit te brengen op een andere persoon op de ljst ook niet voor deze persoon gekozen. Waarom mag deze persoon bij vertrek dan wel zijn zetel behouden? Hij zou zijn zetel in moeten leveren bij de partij waarvoor hij op die zetel terecht is gekomen, deze kan dan een nieuwe vertegenwoordiger aanwijzen. Dit geldt uiteraard niet voor personen die met voorkeursstemmen een zetel bemachtigd hebben.

Antwoord van de PvdA (23/1, kamerlid Heijnen)
Zoals de vragensteller terecht constateert worden in Nederland volksvertegenwoordigers die op een lijst van een politieke partij staan, formeel in feite op persoonlijke titel gekozen. De Grondwet spreekt over het kiezen van “leden” van de Tweede Kamer, provinciale staten of gemeenteraad en heeft het nergens over het kiezen van partijen. Toch zullen de meeste kiezers eerder op een partij dan een individuele volksvertegenwoordigers – de voorkeursstemmen daargelaten – stemmen. Een gekozen volksvertegenwoordiger die met zijn partij breekt kan dus inderdaad zijn zetel behouden. Is dit een onwenselijke situatie? Aan de ene kant wel: het formele recht op een zetel en het morele recht op een zetel lopen uiteen. Iemand die met een handje vol voorkeurstemmen in de Tweede Kamer, gemeenteraad of provinciale staten terecht is gekomen en breekt met zijn partij zou daarmee ook het mandaat dat niet hij maar zijn partij van de kiezer heeft gekregen, moeten verliezen. Zeker nu het aantal stemmen dat men nodig heeft voor een voorkeurszetel een aantal jaren geleden is teruggebracht van 50% naar 25% van het aantal stemmen dat een partij nodig heeft voor 1 zetel, zou je kunnen stellen dat iedereen die niet via voorkeursstemmen is gekozen, dus is gekozen vanwege zijn plaats op de lijst van een partij. Om aan deze situatie een einde te maken zou de – moeizame weg – van Grondwetswijzigingen moeten worden gekozen. Echter, aan de andere kant, moet men ook de keerzijden dan niet uit het oog verliezen. Nu kunnen individuele volksvertegenwoordigers die zich niet meer kunnen vinden in de koers van de partij waarvoor zij gekozen zijn, zich afsplitsen en daarmee een discussie starten over die koers of standpunten. Zou die mogelijkheid niet bestaan, dan blijven deze volksvertegenwoordigers ingekapseld in de fractiediscipline. Of juist niet: In een stelsel waarin op partijen wordt gekozen zouden “dissidenten” het leven zuur gemaakt kunnen worden, in de hoop dat zij hun zetel opgeven. Ook dat acht ik niet gewenst. Luizen in de pels hebben nut. Een stelsel waarin alleen op partijen wordt gekozen zal leiden tot uniformiteit en de democratie leeft bij discussie. En als de kiezer dat anders ziet, komt de desbetreffende volksvertegenwoordiger vanzelf niet meer terug na het einde van zijn periode. Dat maakt het probleem dus overzichtelijk. Dat is ook zo omdat het aantal volksvertegenwoordigers dat met zijn partij breekt relatief gering is.
Naar mijn mening rechtvaardigt het probleem dat de vragensteller aan de orde stelt niet dat wij ons kiesstelsel moeten aanpassen in de zin van dat er voortaan partijen in plaats van personen zouden moeten worden gekozen. Een afgeleid probleem dat wel moet worden aangepakt is dat van “spookleden”: gekozen volksvertegenwoordigers die – al dan niet na afsplitsing van hun partij – gewoonweg niets meer doen en nog wel betaald krijgen. Ook hier geldt dat aan het einde van hun gekozen periode de kiezer zijn oordeel wel zal vellen. Maar in de tussentijd is het onverteerbaar dat deze spookleden nog een vergoeding krijgen.

Antwoord van het CDA (23/2, kamerlid Koopmans)
Hoewel uw vraagstelling begrijpelijk is ben ik van mening dat als je een zetel niet “mag” meenemen je te afhankelijk wordt als parlementariër van je partij. De morele wenselijkheid van het meenemen is een hele andere. Mijns inziens hebben slechts volksvertegenwoordigers die voldoende stemmen hebben gehaald het mandaat zelf te mogen beslissen of ze deze zetel blijven bezetten. Maar ook dan past de vraag in hoeverre het wel of niet in strijd is met beloften die gedaan zijn aan de kiezer.

Geen antwoord van D66 (20/4, kamerlid Schouw)
Na 3 maanden en twee keer rappelleren is geen antwoord ontvangen.

Geen antwoord van de VVD (20/4, kamerlid Taverne)
Na 3 maanden en twee keer rappelleren is geen antwoord ontvangen.

1 reactie


  1. ·

    Hoe kan het of waar staat het in de wet dat wanneer een kamerlid zich niet meer met een partij kan verenigen uit de partij stapt maar deze in de tweede kamer blijft? Onze democratie is toch zodanig ingericht dat we op een partij stemmen en niet op een persoon? Hiermee bedoel ik, we vullen een hokje in van iemand maar is toch niet persoonsgebonden?
    Deze vraag stel ik omdat er deze kabinetsperiode naar mijn mening veel mensen nog in de kamer zitten die afscheid hebben genomen van de partij en wel spreektijd hebben. Het zou toch eigenlijk zo moeten zijn, omdat wel als burger op een partij stemmen, wanneer iemand ontslag neemt van een partij, ze plaats moeten maken voor de volgende op de lijst?

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *